Crisisplaatsing

04-jun-2019

Zondagavond 19.30 uur. Na een koude winterdag heb ik zojuist mijn zoontje in bed gelegd en kruip ik met een kop thee naast mijn man op de bank. Wanneer Feyenoord op de achtergrond een doelpunt scoort, gaat mijn werktelefoon: pas het tweede telefoontje vandaag tijdens mijn 24-uurs bereikbaarheidsdienst. Eerder vandaag kreeg ik een jeugdzorgwerker aan de telefoon met een vraag over de benadering van een specifieke jongere binnen de groep, die het zwaar heeft. Met haar collega’s had ze al een plan van aanpak gemaakt maar wilde dit graag nog even afstemmen. Ik hoor aan haar dat ze al de te nemen stappen netjes heeft doorlopen en heb er alle vertrouwen in dat de jeugdzorgwerkers binnen de behandelgroep de jongere de benodigde nabijheid en steun zullen bieden die zij nodig heeft.

Ik neem de telefoon op en hoor vrij snel aan de stem van mijn collega van de 24-uursreceptie bij Safegroup dat het een ernstig telefoontje is: er wordt door de Spoedeisende Zorg (SEZ) van Jeugdbescherming gevraagd om een nood-bed voor twee kindjes. De moeder van deze kindjes kampt met forse psychische problematiek en het is haar niet gelukt om de ontstane financiële problemen ook nog het hoofd te bieden. Zij is genoodzaakt de stap te zetten richting de sociaal maatschappelijke opvang omdat ze inmiddels op straat staat, maar ook de primaire zorg voor haar twee kinderen vraagt veel van haar. Ze staat er alleen voor. De jongste is pas 6 weken oud.

Ik noteer de verdere beknopte informatie die mijn collega me kan geven, en sla ondertussen mijn laptop open. Mijn opluchting is groot wanneer ik zie dat ik veel keuze heb binnen pleegzorg: ruim 20 pleeggezinnen staan er momenteel voor open om buiten kantoortijden door Juzt te worden gebeld om een kindje in een crisissituatie op te vangen. Echter weet ik ook dat deze kinderen niet volledig geholpen zijn met een nachtje of een weekend, maar goed... first things first.

Het liefst zou ik de kindjes bij elkaar houden, maar dat is niet gemakkelijk: het is nogal wat voor pleegouders om in een crisissituatie uit huis geplaatste kinderen op te vangen, laat staan wanneer het er twee zijn. Ik houd rekening met de reisafstand tot de moeder en kijk waar plaatsing van de kinderen het meest gunstig zou zijn. Met de opmerking van de Jeugdbescherming in mijn achterhoofd “we zijn nu onderweg om de kinderen op te halen”, weet ik dat de tijd dringt. Echter heb ik nog wel 100 vragen, waarvan ik weet dat ik er geen antwoord op ga krijgen. Geeft moeder nog borstvoeding en kan ze gekolfde melk meegeven? Is er sprake van allergieën bij de kinderen of kind-eigen problematiek bij de oudste? Hebben de kinderen kleding bij zich? Wat zijn hun slaaprituelen? Hebben ze een favoriete knuffel of een lievelingsliedje? Ik denk aan mijn zoontje die boven zachtjes ligt te snurken in zijn winterslaapzak met zijn favoriete konijntje in zijn handjes...

Nee. Stop. Terug naar deze twee kinderen. Het is inmiddels bijna acht uur en deze kinderen hebben ook een warm bedje nodig. Ik bel een pleeggezin in Oosterhout waarvan ik weet dat ze niet terugdeinzen voor een ‘uitdaging’… met mijn vingers gekruist herken ik al snel de stem van de pleegmoeder.

Na een korte uitleg van de situatie hang ik na zeven minuten alweer op. Ze gaat even overleggen met haar man. Nog geen drie minuten later gaat mijn mobiele telefoon weer; uiteraard mogen beide kindjes komen. Welke voeding de jongste krijgt en of de oudste in een campingbedje kan slapen? We maken afspraken voor zover dat mogelijk is en ga snel het SEZ bellen om aan te geven dat ik een gezin heb waar beide kindjes samen naartoe kunnen. Yes!

De jeugdbeschermer neemt op, is duidelijk blij met mijn ‘goede’ nieuws in hoeverre je daarvan kunt spreken in het kader van een acute uithuisplaatsing. Ik hoor op de achtergrond een kinderstemmetje. Ik vraag hoe het met de kinderen gaat en de jeugdbeschermer geeft aan dat het oudste meisje maar weinig lijkt te snappen van de situatie. Ze ging vrij makkelijk mee in de auto en zwaaide naar haar mama, die in tranen achterbleef. Hoewel er een rilling over mijn rug loopt, nemen we wat praktische afspraken door en hij vertrekt met de kinderen naar het pleeggezin in Oosterhout.  

Ondertussen zet ik alle gemaakte afspraken op de mail voor mijn collega’s die hier de volgende dag verder mee aan de slag gaan. Ik druk hen nog op het hart om goed de financiering in orde te maken. We hebben nu eenmaal te maken met een forse papierwinkel, en zonder de benodigde papieren en zonder een gemeente die wil financieren, geen geld voor Juzt. Maar ja... die kinderen zitten er nu al, dus dit wordt financiering ‘met terugwerkende kracht’. Helaas weet ik dat moeder in een gemeente ingeschreven staat waarmee de prijsafspraken niet altijd even makkelijk overeen te komen zijn…

Ik klap na een tijdje mijn laptop dicht en app later op de avond nog even met de pleegmoeder: het oudste meisje viel als een blok in slaap en de baby is nog wat onrustig en krijgt zo de late avondfles. Ik geef haar aan dat ik de hele nacht bereikbaar ben tot de volgende ochtend dus wanneer er iets is, ze me gewoon mag bellen.

Ik kruip terug op de bank en leg mijn werkmobiel naast me neer. Ik check nog even extra of deze op geluid staat zodat ik het vannacht hoor wanneer ik gebeld word. Mijn gedachten gaan uit naar de kindjes. Ik voel geruststelling als ik eraan denk dat de kindjes samen in een warm huis zijn. Maar mijn maag krimpt ineen als ik denk aan de moeder. Die haar kinderen vanavond niet zelf in bed kon leggen en zich nu moet afvragen hoe het met ze gaat.

Ik leg mijn hand op mijn buik en voel mijn kindje daarbinnen zich zachtjes omdraaien. Deze zomer verwachten wij onze tweede. Wat als ík deze moeder was? Wat als ík het allemaal niet geregeld kreeg omdat ik een problematische jeugd had gehad, keer op keer verkeerde keuzes maakte, en geen netwerk had om op terug te vallen? Zou ik dan blij kunnen zijn met mensen die in hun weekend openstaan voor een crisispleegzorgplaatsing? Of zou ik alleen nog maar boos kunnen zijn?  

Ik weet het niet. Waarschijnlijk het laatste... maar voor nu ben ik blij dat ik op deze zondagavond mijn werk heb kunnen doen. Want uiteindelijk is dit het. Ons werk. Een baan als geen andere baan. Een baan die ik voor geen goud zou willen missen. Een baan waarin ik op de meeste dagen nog steeds mezelf als meerwaarde voel voor onze samenleving. Een baan waarbij ik mensen graag wil helpen, maar sommige dagen meer bezig moet zijn met de financiering ervan dan de inhoudelijke hulp. En ga ik door, omdat ik erin geloof. Omdat ik in een samenleving geloof waarin we elkaar helpen. Waar aan de ene kant de centen verdiend worden, en aan de andere kant de centen hard nodig zijn.

Inmiddels werk ik 11 jaar voor Juzt, en ik ben er trots op.